St. Vitus Dedemsvaart

R.K. Geloofgemeenschap

Info bouwstijl

Ik ben een groot liefhebber van neogotische kerken. Onder neogotiek (Engels: Gothic revival) wordt een 19e eeuwse stroming in de bouwkunst verstaan die zich geheel heeft laten inspireren door de middeleeuwse gotiek. Het is een reactie op de strakke, koele vormen van het classicisme met haar uitgesproken rationele karakter. De neogotiek vond haar oorsprong in de romantiek met haar belangstelling voor de middeleeuwen. Daarvan meende men dat de gotiek de ultieme uiting was, hoewel deze stijl pas op het einde van de middeleeuwen was ontstaan.Belangrijker voor de opkomst van de neogotiek is echter Pierre Cuypers. Als eerste waagde hij het om weer gemetselde gewelven toe te passen. Hij streefde naar een ‘eerlijk’ gebruik van bouwmateriaal (het materiaal moest zoveel mogelijk herkenbaar blijven) en een ornamentiek die betekenis had. Hij wilde geen pinakels, kantelen en spitsbogen in het wilde weg gebruiken, maar vond dat ieder ornament iets wezenlijks moest uitbeelden. Een belangrijke invloed op Cuypers is diens Franse vriend en geestverwant E.E. Viollet-le-Duc geweest.Toen in 1853 de bisschoppelijke hiërarchie werd hersteld, ontstond onder de katholieken een euforie die leidde tot het bouwen van vele nieuwe kerken. Mede door de geschriften van J.A. Alberdingk Thijm, Cuypers’ vriend en latere zwager, werd de neogotiek de katholieke stijl bij uitstek. Men wilde van de neoclassicistische kerken af, al waren deze vaak nog maar enkele decennia oud. Voortaan werd het neoclassicisme door de katholieken als ‘heidens’ beschouwd.Hoewel zowel Alberdingk Thijm als Cuypers vonden dat architectuur zich moest ontwikkelen waren zij er van overtuigd dat er eerst een breuk in de traditie hersteld moest worden. Eerst moesten architecten zich het ambacht weer eigen maken dat in de ogen van Alberdingk Thijm en Cuypers in de gotiek een hoogtepunt had gekend. De gotiek zagen zij als de bouwstijl uit een tijd toen de samenleving nog harmonieus was en niet werd verstoord door vreemde ideeën, pas daarna kon er van verdere evolutie sprake zijn. Hiermee werd de neogotiek de katholieke bouwstijl bij uitstek.

De parochiekerk is ontworpen door Alfred Tepe
Wilhelm Victor Alfred Tepe (Amsterdam, 24 november 1840 Düsseldorf 23 november 1920) was een Nederlands architect. Na P.J.H. Cuypers was hij de belangrijkste architect van de neogotiek in Nederland. Naar zijn ontwerp zijn vele kerken gebouwd, voornamelijk in het toenmalige gebied van het aartsbisdom Utrecht. Tepe werd geboren te Amsterdam als zoon van een Duitse textielhandelaar. Van 1861 tot 1864 studeerde hij architectuur aan de Bauakademie in Berlijn, waar hij echter ontevreden was over de sterk op het Classicisme gerichte opleiding. In zijn vrije tijd bestudeerde hij het werk van E.E. Viollet-le-Duc, de Franse expert op het gebied van de gotische architectuur. Van 1865 tot 1867 werkte Tepe voor Vincenz Statz, een van de voornaamste architecten van de neogotiek in Duitsland, in Keulen. Hier werd hij betrokken bij de restauratie en afbouw van de Dom.In 1867 ging Tepe terug naar Amsterdam, waar hij voor korte tijd werkzaam was bij een zekere architect Ouderterp. Daarna verhuisde hij in 1872 naar Utrecht, waar hij een van de voornaamste beschermelingen zou worden van het St. Bernulphusgilde, een groep van katholieke geestelijken die streefden naar een heropleving van nationale tradities en vakmanschap in religieuze kunst en architectuur. Vooral werden invloeden van middeleeuwse inheemse stijlen aangemoedigd, evenals het gebruik van inheemse materialen als baksteen. In het meeste werk van Tepe heeft deze ideologie een beslissende rol gespeeld.Tussen 1871 en 1905 bouwde Tepe ongeveer 70 kerken, uitgevoerd in baksteen met weinig gebruik van natuursteen, met de Nederrijnse gotiek uit de 15e en 16e eeuw als voorbeeld. Het interieur werd in veel gevallen verzorgd door andere zich aan het gilde conformerende kunstenaars, waarvan beeldhouwer en schilder Friedrich Wilhelm Mengelberg de belangrijkste was. Tot ongeveer 1882 had Tepe vrijwel een monopolie op het ontwerpen van nieuwe katholieke kerken in het kerngebied van het aartsbisdom Utrecht. Pas na de dood van aartsbisschop Schaepman kregen ook andere architecten een kans. Naast kerkgebouwen ontwierp Tepe vele andere gebouwen die vaak wel op de een of andere manier verbonden waremet de katholieke kerk, zoals kloosters, scholen en weeshuizen. Een belangrijk voorbeeld hiervan is het Sint-Hiëronymus wees- en bejaardenhuis in Utrecht uit 1875-1877.Vanaf ongeveer 1900 bouwde Tepe ook enkele kerken in Duitsland. In 1905, toen opdrachten in Nederland uitbleven, verhuisde hij naar Düsseldorf waar hij in 1920 overleed, een dag voor zijn 80e verjaardag.*

Bouwstijl
Tepe was, als leidende architect van het St. Bernulphusgilde, de aanvoerder van een duidelijk herkenbare richting binnen de Nederlandse neogotiek, een richting die overgenomen werd door onder andere J.W. Boerbooms en voortgezet werd door onder andere Wolter te Riele. De sterk op de Nederrijnse gotiek geïnspireerde neogotiek van deze ‘Utrechtse School’ onderscheidt zich duidelijk van die van de veel meer vernieuwende ‘Amsterdamse School’ rond Cuypers. Waar voor Cuypers de gotiek slechts uitgangspunt was voor een verder te evolueren architectuur was voor Tepe de gotiek, en dan vooral de Nederrijnse variant, de enige ware stijl voor kerkenbouw. Tepe’s kerken kenmerken zich door een vaak eenvoudige maar rijzige bouwstijl, waar mogelijk met een hoge westtoren en bijna altijd driebeukig uitgevoerd, zelfs hele kleine kerken. Ornamenten ontbreken meestal aan de buitenkant van het gebouw, met uitzondering van de typische Rijnlandse balustrades en met nissen en pinakels versierde topgevels die Tepe bij een aantal kerken aanbracht. Zelfs luchtbogen paste Tepe zelden toe, en slechts eenmaal voorzag hij een koor van een omgang.In tegenstelling tot Cuypers vertoont Tepe’s werk dan ook weinig evolutie in stijl. Toch zijn er vier fasen in zijn carrière te onderscheiden. In de eerste fase, die van 1871 tot 1876 duurde, ontwikkelde hij zijn stijl en probeerde hij verschillende kerktypes uit. De tweede fase, van 1876 tot 1890, kent een grotere toepassing van ornamenten dan voorheen. Tussen 1890 en 1900 experimenteerde Tepe met op centralisering gerichte plattegronden, vooral in de vorm van hallenkerken. Een opvallend hoogtepunt is de in 1893 gebouwde, en in 1945 verwoeste, St. Martinskerk in het Duitse Bilk, die een driehoekige plattegrond kreeg. De vierde fase, na 1900, vertoont een teruggrijpen op eerdere ontwerpen. Tepe paste bij zijn werk in Duitsland een iets andere neogotische stijl toe, waarbij hij geregeld gebruik maakte van natuursteen. Zijn kerk in Bawinkel bestaat zelfs grotendeels uit zandsteen.*

St. Bernulphusgilde,

Tegenover de kring rond Cuypers, soms ook wel Amsterdamse School genoemd (niet te verwarren met de gelijknamige Expressionistische stroming), staat het Utrechtse St. Bernulphusgilde, dat in 1869 werd opgericht en waarvan Alfred Tepe de belangrijkste architect was. Dit sterk door geestelijken gedomineerde gilde hanteerde strenge opvattingen over kerkelijke kunst, waarin vooral werd teruggegrepen op de Nederrijnse gotiek, baksteen het bouwmateriaal bij uitstek was en waarin voor vernieuwende ideeën weinig ruimte was.Tepe werkte dan ook samen met kunstenaars uit Keulen waaronder met name ook Friedrich Wilhelm Mengelberg die door hem naar Nederland werd gehaald en zich in Utrecht vestigde met zijn atelier. Terwijl de kring rond Cuypers de inheemse gotiek uit de 15de en 16e eeuw aanvankelijk als inferieur beschouwde vergeleken met de Franse gotiek uit de 13e eeuw, en zich daar dan ook niet door liet beïnvloeden, beschouwde het St. Bernulphusgilde de Franse gotiek als te uitheems om als voorbeeld te kunnen dienen. De Nederrijnse gotiek was dan misschien wel van minder allure, zij was tenminste inheems en daarom moest de nieuwe architectonische traditie daarin haar wortels hebben om echt Nederlands te zijn.Tepe had een bijna totale monopoliepositie in de provincie Utrecht maar was ook van groot belang in andere delen van het aartsbisdom. Cuypers zou nooit een kerk in de provincie Utrecht bouwen, na zijn afwijzing van het verzoek van de bisschop om zich in Utrecht te vestigen. In andere delen van het aartsbisdom zou hij zich vaak moeten conformeren aan de ideeën van het Gilde. Uiteindelijk zou ook Cuypers de Franse gotiek steeds meer achter zich laten en zich laten inspireren door Nederlandse varianten van de gotiek.Protestantse neogotische kerken werden er daarna nog maar bijzonder weinig gebouwd. De hervormde kerk in Schagen is een belangrijke en grote uitzondering, maar deze kerk maakt dan ook een onmiskenbaar on-katholieke indruk en leunt sterk tegen de neorenaissance aan.Pierre Cuypers is altijd de belangrijkste architect van de neogotiek in Nederland gebleven. Naast meer dan honderd Rooms-Katholieke Kerken, waarvan de Sint-Bonifatiuskerk in Leeuwarden, de Sint-Catharinakerk in Eindhoven en de Sint-Vituskerk in Hilversum wellicht de meest monumentale nog bestaande voorbeelden zijn, is ook het herbouwde kasteel de Haar in Haarzuilens een belangrijk neogotisch werk. Bovendien restaureerde Cuypers vele middeleeuwse kerken en andere monumenten in een vaak neogotische stijl, zoals de Drogenaptoren in Zutphen en de Koppelpoort in Amersfoort.Cuypers speelde tevens een essentiële rol bij de modernisering van de neogotiek en het aanpassen van de stijl aan de eisen van de tijd, met een aantal kerken met een centraliserende opzet als belangrijkste resultaat. Belangrijk was bovendien Cuypers’ invloed op zijn leerling-architecten, zoals C. Franssen, J. Kayser, J.H.H. van Groenendael en W. te Riele, waardoor de neogotiek nog lang na Cuypers’ dood werd voortgezet. Waar de meeste van Cuypers’ leerlingen zich met kerkenbouw bezighielden, werd een andere leerling, C.H. Peters, vooral bekend door zijn vele postkantoren in neogotische stijl.*

Veel neogotischekerken zijn vaak aangekleed door het atelier van Friedrich Wilhelm MengelbergFriedrich Wilhelm Mengelberg (Keulen, 18 oktober 1837Utrecht, 6 februari 1919) was een DuitsNederlandse beeldhouwer, architect van kerkinterieurs en verzamelaar van kunst.Mengelberg was een zoon van Johann Mengelberg en Catharina Leiniger. Mengelberg begon zijn opleiding in Keulen op de Mengelbergsche Zeichenschule (opgericht door zijn grootvader Egidius Mengelberg) en bij de beeldhouwer Christoph Stephann. Na zijn opleiding begon hij een atelier in Keulen. Na daar naam te hebben gemaakt – onder meer met de bronzen deuren van de Keulse Dom – liet hij het atelier aan zijn broer Otto Mengelberg en vestigde zich in Aken. Dankzij de bemiddeling van Akense kapelaan Franz Johann Joseph Bock (1823-1899) kreeg hij in 1869 opdracht voor de bouw van de bisschopszetel van de bisschop van Utrecht. Als gevolg van de belangstelling in Nederland in de neo-gotiek vestigde hij zich in 1872 in Utrecht en heeft hij daar het interieur vervaardigd van de Sint-Catharinakathedraal en de Willibrorduskerk. Mengelberg werkte nauw samen met Pierre Cuypers en ook met Alfred Tepe. Het huis van Mengelberg aan de Maliebaan was ook een ontwerp van Tepe en net als hij, was ook Mengelberg lid was van het St. Bernulphusgilde dat de bouw van Rooms-katholieke kerken in neogotische stijl propageerde.Het atelier Mengelberg, waarin steeds meer kunstenaars kwamen te werken (eind 19e eeuw meer dan dertig), produceerde vooral interieur voor kerken: kansels, hoogaltaren, biechtstoelen, communiebanken en kruiswegstaties*

*Bron Wikipedia